Over Paul Scholten

Biografie Paul Scholten (1875-1946)

Scholten, Paulus, jurist (Amsterdam, 26-8-1875 – aan boord van M.S. Delftdijk, 1-5-1946 op weg naar de Verenigde Staten en Canada). Zoon van Gerbert Scholten, makelaar, en Catharina Elisabeth Ledeboer. Verliest beide ouders op jeugdige leeftijd; zijn vader sterft nog voor hij drie wordt, en zijn moeder wanneer hij zeven jaar oud is. Gehuwd op 23-4-1903 met Grietje Fockema. Uit dit huwelijk werden 2 zoons, Gebert Joan  (plv. landsadvocaat en de latere hoogleraar Burgerlijk Recht en Handelsrecht als opvolger van zijn vader, na Bregstein en Pitlo) en Ynso (advocaat en oud-minister van Justitie), en 1 dochter, Biem Dunbar – Scholten, geboren.

In zijn geboortestad Amsterdam doorliep Scholten de lagere school en het stedelijk gymnasium, sinds 1927 Barlaeus-gymnasium geheten, waar hij meewerkte aan de Letterkundige Gymnasiasten Vereeniging Disciplina Vitae Scipio. In 1893 begint hij zijn studie aan de juridische faculteit van de Universiteit van Amsterdam. Zijn afstuderen, in 1898, kreeg vervolg in 1899 met zijn promotie cum laude op het proefschrift Schadevergoeding buiten overeenkomst en onrechtmatige daad (promotor: J.F. Houwing).

Scholten vestigde zich in zijn geboortestad als advocaat en procureur (1899-1907) en werd in 1903 benoemd tot rechter-plaatsvervanger, een functie die hij tot 1915 vervulde, toen hij raadsheer-plaatsvervanger werd in het Amsterdamse gerechtshof (tot 1935). In 1906 volgde een tijdelijk lectoraat voor burgerlijk recht en burgerlijke rechtsvordering in Amsterdam, in 1907 een ordinariaat in het Romeinse recht (tot 1914), in 1910 werden hem tevens opnieuw het burgerlijk recht en de rechtsvordering toevertrouwd (resp. tot 1945 en 1927). Vanaf 1914 behoorden het oudvaderlands recht en de encyclopedie der rechtsgeleerdheid mede tot zijn leeropdracht (tot 1921), van 1927 tot 1945 doceerde hij eveneens de wijsbegeerte van het recht.

Zijn werkzaamheden als docent beletten hem niet van 1907 tot 1930 als redacteur van het Weekblad voor Privaatrecht, Notaris-ambt en Registratie (WPNR) op te treden en van 1926 tot 1942 als annotator van de Nederlandse Jurisprudentie (NJ). In 1922 werd hij benoemd tot lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, waarvoor hij in 1930 zijn mededeling Convenances vainquent loi, in 1935 die over Rechtsbeginselen en in 1945 zijn laatste mededeling De structuur der rechtswetenschap uitbracht. Van 1930 tot 1942 was hij secretaris van de afdeling letterkunde van de Akademie. Van 1927 tot 1935 was hij lid van de Onderwijsraad. Hij was een van de oprichters en de eerste President Curator was van het Amsterdams Lyceum, één van de eerste Lycea in ons land. In 1924 gaat Scholten op verzoek van de regering tot twee keer toe naar Nederlands Indie om er in Batavia de Rechtshogeschool te stichten. Dit is de start geweest van de huidige universiteit van Djakarta. Hij komt daar tevens in contact met de Zending en wordt daardoor later voorzitter van het Nederlands Bijbelgenootschap.

Bij het 300-jarig bestaan van de Gemeentelijke Universiteit (latere UvA) in 1932 werd juist Scholten als Rector Magnificus verkozen. Hij leidde de grootse festiviteiten en werd vanwege zijn vele verdiensten benoemd tot Commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Verder was Scholten redacteur en actief medewerker van Onze Eeuw, Synthese, De Schakel, het Algemeen Weekblad voor Christendom en Cultuur alsmede van Woord en Wereld, en voorzitter der Reorganisatie-Commissie der Nederlandse Hervormde Kerk. Scholten heeft regelmatig conferenties van de Nederlands Christen Studenten Vereniging (NCSV) bijgewoond. Zijn bijdragen daar werden alom gewaardeerd. Zijn culturele, maar vooral ook zijn sociale belangstelling en betrokkenheid droegen bij tot de verdieping van zijn christelijke levensovertuiging, die zijn juridische en rechtsfilosofische arbeid hebben geleid. Pas op middelbare leeftijd heeft hij, mede onder invloed van zijn hechte vriend de beroemde onderwijspsycholoog Prof.dr. Ph. Kohnstamm, belijdenis gedaan en is hij toegetreden tot de Nederlands Hervormde Kerk.

Scholten had aanvankelijk slechts matige belangstelling voor de rechtenstudie – hij had letteren willen studeren – maar zijn leermeester Houwing wist hem door zijn pakkend onderwijs voor het recht te winnen. Hij behandelde de rechtsvragen tegen een brede, buiten de wet en ook wel buiten het recht zelf gelegen, achtergrond, zoals de historische ontwikkeling, de behoeften van de maatschappij enz. Deze methode sprak Scholten aan, evenals de dialoog-vorm, waarin Houwing placht te doceren. Later zouden zijn eigen colleges eveneens zijn ingesteld op actief participeren, niet op het receptief toehoren.

Groot was Scholtens invloed op het rechtsleven van zijn tijd, vooral op het gebied van het privaatrecht. Zijn opvattingen dienaangaande weken sterk af van het vigerende legisme. Waar de billijkheid of de maatschappelijk als recht aanvaarde gewoonte in het gedrang dreigde te komen, daar had volgens Scholten de rechtsdogmatiek niet meer het laatste woord, maar moest er een oplossing gezocht en gevonden worden die zowel praktisch als theoretisch aanvaardbaar was. Ook de wet zelf geeft niet de beslissing: altijd is interpretatie nodig om het recht te vinden. Dit probleem wordt ampel behandeld in het ‘Algemeen deel’ van Asser’s Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht (1931) dat op heel oorspronkelijk wijze de methode van het privaatrecht behandelde.

Niet slechts als privatist maakte hij naam. Scholten hield zich ook bezig met de algemene begrippen, de achtergronden, de systematiek, het wezen van het recht. Sterk bleek dit uit zijn Beschouwingen over recht, dat in 1924 verscheen. Hij ging daarin filosofisch en theologisch te werk vanuit levensbeschouwelijke, protestants-christelijke beginselen. Ook zijn het theïstisch existentialisme en het christelijk personalisme van grote betekenis geweest voor zijn oriëntatie op de grondslagen van het recht, waarvan Scholten oordeelde dat die in de persoonlijke en (ten diepste) irrationele verhouding van God en mens gelegen zijn. Zijn opvatting is dat het feitelijke en het normatieve, het zijn en het behoren, in het recht noch in de rechtswetenschap scherp gescheiden zijn. De gerechtigheid en de billijkheid zijn bepalend voor het recht, dat nooit in de wet alleen kan worden gevonden. Evenals de mens niet volmaakt is en aan groei onderhevig, zo is ook het rechtsstelsel onvolmaakt en verandert dit voortdurend. De verhouding tussen zijn en behoren is daarom ook nooit definitief in een synthese samen te vatten. Het persoonlijk geweten van de rechter ten slotte heeft het laatste woord: wie in zijn geweten overtuigd is dat de overheid bij de uitoefening van haar gezag de door het recht gestelde grenzen overschrijdt, mag zich in de uiterste omstandigheden tegen die overheid verzetten. Dit is de enige rechtvaardiging van een revolutie.

Het is geen wonder dat de jaren van oorlog en bezetting voor Scholten als gewetensvol jurist en mens een gruwel zijn geweest. Evenmin is het verbazingwekkend dat hij door zijn strijdbare aard zich met alle kracht heeft ingezet voor de geestelijke weerbaarheid van het Nederlandse volk. Als hoogleraar gold hij als een van de meest principiële figuren. Op zijn initiatief kwam er een niet officieel college van overleg tot stand tussen de verschillende universiteiten en hogescholen, en het was Scholten die aandrong op het zenden van een adres aan de Rijkscommissaris (oktober 1940), waarin werd verzocht af te zien van discriminerende maatregelen tegen joodse ambtenaren. Hij zag de universiteit niet als een vakschool, waar alleen wetenschap werd beoefend, maar als een centrum van geestelijk leven van ons volk. Ook heeft hij een leidinggevende rol gespeeld in de Nederlandse oecumene. In 1940 riep de Algemene Synode als adviesorgaan van het kerkbestuur de Commissie Kerkelijk Overleg bijeen, die in augustus van dat jaar werd geïnstalleerd. De voornaamste werkgroep van deze Commissie was de Werkgroep Kerk en Overheid, die door belangrijke adviezen en richtlijnen de houding van de Hervormde kerk tegenover maatregelen van Duitse instanties in grote mate mede heeft bepaald. Scholten was hiervan voorzitter. In oktober 1941 vond de eerste ontmoeting plaats tussen Scholten, als voorzitter van het Convent van Kerken, en de aartsbisschop mgr. J. de Jong. Voorgesteld werd een memorandum te overhandigen aan de toenmalige secretaris-generaal van Justitie, de NSB’er Schrieke, teneinde een gesprek te bewerkstelligen met de Rijkscommissaris A. Seyss-Inquart over de Jodenvervolging, de rechtsverkrachting en het opdringen van een nationaalsocialistische levensbeschouwing. Scholten zou dit memorandum mondeling toelichten, maar daar hij enige dagen voor het te houden gesprek in februari 1942 naar Zuid-Limburg (Valkenburg) verbannen was, trad prof. W.J. Aalders als woordvoerder op. Zijn verbanning ver buiten Amsterdam was uitzonderlijk. Dit geschiedde omdat de Duitsers bang waren voor een grote studentenopstand in Amsterdam wanneer hij gevangen gezet zou worden. Hij werd door de bezetter ontslagen als hoogleraar. Later in 1942 kreeg Scholten een gedwongen verblijfplaats op de Veluwe aangewezen. In zijn buitenhuis te Hulshorst, niet ver van waar zijn vriend Philip Kohnstamm woonde, heeft hij nog veel kunnen doen voor het vaderland en de Ned. Hervormde Kerk. Op de vervanging van het reglement van 1816 door een door de Ned. Herv. Kerk zelf opgestelde en aanvaarde kerkorde (1951) heeft Scholten, o.m. door het voorzitterschap van de Reorganisatie-Commissie der Ned. Herv. Kerk, grote invloed gehad. Alle oorlogsjaren door stond Scholten vooraan wanneer de gewetensvrijheid en de beginselen van de Nederlandse samenleving in het geding kwamen. Zo zou hij in september 1940 tijdens een grote bijeenkomst, door de plaatselijke afdeling van de Liberale Staatspartij belegd, te zamen met H.B. Wiardi Beekman en B.M. Telders het woord voeren. De samenkomst werd verboden, de redevoeringen kwamen evenwel in een brochure, getiteld Den Vaderlant ghetrouwe uit en werden in duizendtallen verkocht. Later had hij de leiding in de zg. groep-Scholten, die zich met problemen betreffende de bezetting en het naoorlogse Nederland bezighield en personen van verschillende politieke en godsdienstige signatuur telde.

Uit deze en een aantal illegale groepen ontstond na de bezetting de Nationale Adviescommissie, waarvan Paul Scholten in 1945 het voorzitterschap aanvaardde, en die o.a. tot taak had voorstellen te doen voor de benoeming van de leden van het Noodparlement. Scholten werd – toen nog lid van de CHU zonder binding aan het Christelijk-Historische programma – benoemd in de Eerste Kamer. Na enige tijd trad hij uit de CHU. Zijn politieke voorkeur ging toen uit naar de begin ‘46 geconstitueerde PvdA. In mei van dat jaar scheepte hij zich met zijn vrouw in voor een reis naar de Verenigde Staten en Canada. Daarna zou hij met zijn vrouw doorreizen naar Canada om na 6 jaar voor het eerst weer hun dochter te zien. Door het uitbreken van de oorlog kon zij van een reis door de Verenigde Staten niet naar Nederland terugkeren en woonde zij intussen getrouwd en met twee kinderen al die jaren in Hamilton (Ont.) Canada.  Aan boord van ms Delfdijk is Paul Scholten op weg naar New York plotseling overleden. Hij heeft zijn dochter en haar gezin dus nooit meer gezien. Hij is in Hamilton (Ont.), Canada in zeer kleine kring begraven.

In 1949 verschenen de Verzamelde Geschriften van Prof.mr. Paul Scholten redactie G.J. Scholten, Y. Scholten en M.H. Bregstein (W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle, 1949). Een herdruk van de VG verscheen voor het laatst in 1980. De VG bestaan uit vier delen. Het eerste daarvan bevat bijdragen van rechtsfilosofische aard. Deel II bevat opstellen over politiek en geloof. De delen III en IV zijn gewijd aan het positieve recht.


Bewerking van: Mw. W.M. Peletier, ‘Scholten, Paulus (1875-1946)’, in Biografisch Woordenboek van Nederland. ING – Den Haag. Tevens is biografische informatie afkomstig van zoon resp. dochter van G.J. Scholten, Paul Scholten en Clara Insinger – Scholten. Andere bronnen: Archieven – archief P. Scholten in het Nationaal Archief te ‘s-Gravenhage; archief P. Scholten in het Universiteitsmuseum te Amsterdam. Literatuur: ‘Herdenkingsnummer Paul Scholten’, in WPNR 106 (1975) 5314.

In het Nationaal Archief te Den Haag is de Collectie prof. mr. P. Scholten opgenomen. De collectie bevat diverse collegedictaten, stukken betreffende zijn laatste onvoltooide boek (zoals kladaantekeningen en manuscripten), stukken betreffende de oprichting van de Rechts Hoogeschool te Batavia en stukken betreffende zijn overlijden.

Woord en wereld

In 1939 verscheen het eerste nummer van het tijdschrift Woord en Wereld, waarvan Paul Scholten hoofdredacteur was. In het ‘Ter opening’ bij dit eerste nummer schreef Scholten over de inspiratiebronnen. Het tijdschrift zou christelijk en reformatorisch zijn en wilde staan “in de theologische beweging, die nu een kleine twintig jaar aan den gang is in het Protestantisme en die in Karl Barth haar grootste figuur ziet.”

Zie hier een scan van het ‘Ter opening‘ (1939).

In het eerste nummer van Woord en Wereld verscheen een essay van Scholten onder de titel ‘Evangelie en recht’, mede naar aanleiding van Karl Barth, Rechtfertigung und Recht (1938). Dit essay is opgenomen in de Verzamelde Geschriften van Prof.mr. Paul Scholten (1949), pp.  413-431, maar ook in de bundel Dorsten naar gerechtigheid (2010), pp. 387-405.

In 1941 werd het tijdschrift, na 14 nummers, door de bezetter verboden. Na de oorlog is het niet opnieuw verschenen.